Als archiefmedewerker berg je documenten op zo'n manier op dat ze later vlot zijn terug te vinden. De soort documenten waarmee je werkt, verschilt per archief. Een gemeente-archief of een kerkelijk archief bijvoorbeeld bevat heel andere documenten dan een foto-archief, wetenschappelijk archief, medisch archief of bedrijfsarchief. Je werkt zelfstandig volgens bepaalde richtlijnen. In een klein archief werk je meestal alleen en in een wat groter archief werk je soms nauw samen met collega's.
Je sorteert documenten op een bepaalde manier, bijvoorbeeld in alfabetische volgorde, op nummer, op onderwerp of op trefwoord. Je werkt daarbij met stempels, etiketten en soms een numerator (een stempel die opeenvolgende nummers zet). Dan berg je ze op in het archiefsysteem, dat onder meer uit kaartenbakken, archiefmappen en kasten bestaat. Je registreert de documenten ook in een computer. Daarnaast maak je mensen wegwijs in het zoeksysteem van het archief. Als iemand stukken uit het archief wil raadplegen, haal jij die meestal zelf uit de archiefruimte. Je houdt ook bij welke stukken aan wie zijn uitgeleend, net zoals dat in de bibliotheek gaat. Bijzondere documenten worden bijna nooit uitgeleend, bijvoorbeeld omdat ze heel oud, uniek of belangrijk zijn. Want het zou natuurlijk een ramp zijn als daar iets mee mis zou gaan. Van zulke stukken maak je daarom kopieën, bijvoorbeeld op microfilm. Tegenwoordig worden daarvoor ook vaak grote compactdiscs gebruikt.
|