Je houdt je bezig met alle uitvoerende politietaken: opsporing, rechtshandhaving en hulpverlening. Je hebt dezelfde opsporingsbevoegdheden als 'gewone' agenten, maar je draagt geen vuurwapen. Naar het publiek stel je je zakelijk en dienstverlenend op. Je bent vooral bezig met het voorkomen van misdrijven. Op die manier lever je een actieve bijdrage aan de veiligheid en leefbaarheid van de samenleving. Je werkt onder de leiding van een groepschef (inspecteur). Tijdens je werk beslis je zelf hoe en wanneer je ingrijpt. Je houdt overigens wel regelmatig contact met de centrale meldkamer, zodat je problemen kunt melden of spoedopdrachten kunt krijgen.
Door al het papierwerk dat agenten moeten doen, zijn zij vaak op het bureau aan het werk. Om toch voldoende 'blauw' op straat te houden, loop jij duidelijk zichtbaar rond met een collega.
Je bent dus zoveel mogelijk op straat. Zaken die nader onderzoek vereisen, zoals een gecompliceerde inbraak, draag je meestal over aan een collega-agent. Complexe of riskante zaken wikkel je dus niet zelf af.
Dankzij je opsporingsbevoegdheid heb je veel mogelijkheden om op straat in te grijpen. Wat dat betreft kun je veel meer doen dan een stadswacht of beveiligingsmedewerker. Je mag bijvoorbeeld mensen aanhouden, bekeuringen uitdelen, of iets in beslag nemen.
Daarnaast ben je ook hulpverlenend bezig; mensen die letterlijk of figuurlijk de weg kwijt zijn, help je verder. Voor de veiligheid ben je altijd met een collega op stap.
|