Als bootbouwer bouw of repareer je schepen en scheepsrompen. Het startpunt van je werk zijn de tekeningen, beschrijvingen en instructies (op papier) van een scheepsontwerper. Jij voert die instructies uit. Met allerlei meetgereedschappen meet je de tekeningen heel nauwkeurig na en teken je ze af op de balken, platen en planken waarvan je het schip bouwt. Meestal leg je eerst een kiel (de onderkant van het schip), waaraan je later de spanten (de ribben) vastmaakt. Deze spanten bekleed je met een scheepshuid van plaatmateriaal of planken. Dan breng je het dek aan en de rest van de opbouw. Daarvoor maak je verschillende onderdelen, die je later met allerlei technieken samenvoegt tot een schip. Je instructies krijg je van je voorman of van de chef van de werkplaats.
Welke technieken, gereedschappen en machines je bij je werk gebruikt, hangt uiteraard af van het materiaal waarmee je werkt: hout, staal, aluminium, polyester of glasvezel bijvoorbeeld. Vaak zul je lassen, snijden, knippen, zagen, boren en schaven en daarbij gebruik je onder meer een snijbrander, plaatschaar, slijpschijf, verschillende machines om hout te bewerken, boormachines, zaag-, schuur- en slijpmachines. Verwerk je polyester kunsthars, dan gebruik je een mal. Daarin leg je glasvezelmatten, die je met de kwast een paar keer insmeert of met een spuitapparaat bespuit met kunsthars. Je moet je daarbij aan bepaalde veiligheidsvoorschriften houden, en daarom gebruik je afzuigapparatuur en een mondkapje. De machines die je gebruikt, stel je zelf in op de juiste bewerking van de materialen en je onderhoudt ze ook. |