Als banketbakker maak je gebak, koek, chocoladeproducten en suikerwerk. Je maakt ook seizoensartikelen, zoals marsepein en ijsproducten, maar ook likeurbonbons, noga, karamel en puddingen. Soms maak je heel speciale producten, zoals roomijs, vruchtenijs, sorbets, bittergarnituren, snacks en pizza's. Je werkt in een banketbakkerij. Als je een eigen banketbakkerij hebt, koop je je eigen grondstoffen in, bijvoorbeeld diverse soorten bloem, suikers en zuivelproducten (eieren, boter en melkpoeder), chocolade, fruit en decoratieartikelen. Daarnaast houd je de machines en de werkruimte schoon conform de hygiënenormen.
Eerst weeg je de grondstoffen af. Dan meng je de grondstoffen waarna deze gekneed of geklopt worden met meng- en kneedmachines en in mengbakken. Daarbij breng je ze op smaak (met smaakmiddelen) en op kleur (met kleurstoffen). In grotere banketbakkerijen zijn de machines vaak computergestuurd. Meestal bak je het product daarna in een voorgeprogrammeerde bakoven. Wanneer je samen met collega's in een bedrijf werkt, overleg je over de taken om de gemaakte producten zo dicht mogelijk bij het consumptiemoment te kunnen produceren.
Daarbij geeft de bedrijfsleider aan wat iedereen moet doen. Je houdt je bij je werkzaamheden aan hygiënevoorschriften en andere voorschriften. Je bent ook gebonden aan bepaalde regels, met name het broodbesluit van de warenwet, de Europese regels voor hygiëne (H.A.C.C.P.) en de Arbowet.
|