In Nederland zijn er zo'n 7000 basisscholen. Die geven basisonderwijs.
Dat is bedoeld voor alle kinderen vanaf vier jaar tot ongeveer twaalf jaar.
Op hun vierde mogen kinderen naar de basisschool. Vanaf hun vijfde gaat de leerplicht
in. Dan zijn ze verplicht naar school te gaan. Leerlingen beginnen in groep
1 en eindigen in groep 8. De eerste vier groepen vormen de onderbouw. Die is
bestemd voor kinderen van 4 tot en met 8 jaar. De bovenbouw bestaat uit de groepen
5 tot en met 8. Daarin zitten kinderen van 9 tot en met 12 jaar. Op sommige
scholen zitten kinderen van verschillende leeftijden in één groep
bij elkaar. Andere scholen plaatsen kinderen met hetzelfde ontwikkelingsniveau
in één groep. In elk geval houden scholen rekening met verschillen
tussen kinderen.
Als een kind drie wordt, krijgen ouders meestal een brief van de gemeente.
Daarin staat dat zij hun kind moeten inschrijven bij een basisschool. Ouders
is aan te raden hun kind tijdig aan te melden bij de school van hun keuze.
Sommige scholen hebben namelijk wachtlijsten. Als ouders hun kind aanmelden,
geven ze het sociaal-fiscaal nummer (sofi-nummer) van het kind door aan de
school. Dit onderwijsnummer krijgen ze van tevoren van de belastingdienst.
Het basisonderwijs- het woord zegt het al- legt de basis voor al het onderwijs
wat daarop volgt. Scholen zijn verplicht les te geven in een aantal vakken.
Bijvoorbeeld rekenen, Nederlandse taal, maar ook Engelse taal, aardrijkskunde
of bevordering van gezond gedrag. Wat kinderen moeten kennen en kunnen staat
aangegeven in zogenaamde kerndoelen. Voor scholen bieden die doelen houvast.
Maar ook voor ouders is het belangrijk te weten wat de school hun kind leert.
Ouders praten daarover met de leerkracht. Tijdens ouderavonden of tussendoor.
Leerkrachten houden bij wat kinderen leren. Ze geven huiswerk, proefwerken
of overhoringen. Een hulpmiddel om de vorderingen van een kind over verschillende
jaren bij te houden is een zogenaamd leerlingvolgsysteem. Steeds meer basisscholen
gebruiken dit. Zo kunnen leerkrachten hun lessen nog beter afstemmen op waar
kinderen aan toe zijn.
Daarnaast maken veel scholen gebruik van toetsen, een soort standaardproefwerken,
om beter zicht te krijgen op de resultaten van een klas én van een
kind. Ook de zogenaamde CITO-toets valt daaronder. Dit is een eindtoets die
een beeld geeft van wat een kind op de basisschool geleerd heeft. Zo'n toets
geeft ook aan welk onderwijs een kind na de basisschool kan gaan volgen.
Voor elk kind krijgt een school een vast bedrag van de overheid. Dat bedrag
is hoger naarmate de ouders een lagere opleiding hebben en uit het buitenland
komen. Scholen mogen ouders vragen mee te betalen aan bepaalde activiteiten.
Bijvoorbeeld zwemmen, schoolreisjes of overblijven tussen de middag. Hoeveel
ouders betalen verschilt per school en soms per inkomen. Deze zogenaamde ouderbijdrage
is vrijwillig. Hebben ouders ermee ingestemd, dan zijn ze verplicht te betalen.
Een bijzondere vorm van basisonderwijs voor moeilijk lerende kinderen door
bijv. een handicap is speciaal onderwijs.